Kreta : dag 1c: Knossos

 

 

 

vrijdag 20 augustus 2011

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Landinwaarts op een 5-tal km van Heraklion ligt Knossos, de belangrijkste archeologische vindplaats op Kreta.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Eens was Knossos het centrum van de hoogstaande Minoïsche beschaving, die op zijn hoogtepunt was tussen 3000 en 1600 voor Christus.

 

 

 

 

 

De mythe van het doolhof met de Minotaurus speelde zich af in dit paleis. Koningszoon Theseus slaagde erin het monster Minotaurus, half stier en half mens, dat in het labyrint woonde, te verslaan en te doden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In 1628 voor Christus moest het paleis er weer aan geloven na een grote vulkaanuitbarsting op het 150 km verder gelegen eiland Santorini die 100 m hoge vloedgolven deed ontstaan aan de kust van Kreta en de stad verzwelgde. Het betekende ook het einde van de Minoïsche beschaving.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het paleis dateert van rond 1700 voor Christus. Het verving een ander paleis dat vermoedelijk door een aardbeving met de grond was gelijk gemaakt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Knossos werd tussen 1900 en 1931 blootgelegd onder leiding van de Engelse archeoloog Arthur John Evans (1851-1941), die eerst het terrein moest zien te kunnen kopen met eigen centen, want de Turkse eigenaars wilden het eerst niet van de hand doen. Maar in 1900, toen Kreta een onafhankelijke staat werd, lukte het dan toch. Evans ging meteen aan de slag en huurde een 100-tal mensen in. 2 jaar later was het grootste deel opgegraven.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Minoërs waren een volk met een zeer hoge beschaving. Ze waren bedreven in het maken van fresco’s. Bovendien waren ze een zeer vreedzaam volk. Wapens hadden ze niet.

 

 

 

 

 

 

In de Minoïsche kunst waren fresco's een belangrijke kunstuiting. Weinig van deze fresco's hebben de tijd echter doorstaan en wat er overgebleven is zijn slechts delen van fresco's. In de Minoïsche tijd werden de muren van de grote zalen en luxere huizen opgeluisterd met fresco's. De techniek was als volgt: als het pleisterwerk nog nat was werd de verf snel aangebracht zodat de kleuren geabsorbeerd werden en daardoor niet vervaagden. De Minoërs hadden de kleuren overgenomen die de Egyptenaren ook in hun kunst gebruikten. Bijvoorbeeld gebruikten de Minoërs een rode kleur voor mannen, een witte voor vrouwen, geel stond voor goud, blauw stond voor zilver en rood stond voor brons.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Deelnemers aan een processie.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De blauwe vogel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De zgz. blauwe dames.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De blauwe aap.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Stierspringen was een typische Minoïsche sport, waarbij atleten gevaarlijke, acrobatische sprongen maakte over de rug van een stier. De witte figuren zijn vrouwen, de roodgekleurde mannen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tot slot nog een blik op enkele van de ontelbare insecten die voor ENORM VEEL kabaal maken in Knossos.

 

 

 

 

 

vervolg

 

overzicht reportages Kreta

 

homepage